Thuiskomen | Mensen | Beelden | Contact

Jacques Brusselmans

 

alle schepsels groot & klein

 

Jacques

Brusselmans

Iedereen van ons had in zijn jeugd wel een droomberoep. Piloot, brandweerman, politieagent… vooral de beroepen, waar enige spanning of avontuur nooit ver weg was, scoorden goed. Die spanning of dat avontuur was niet aan mij besteed, ik had het eerder begrepen op dieren. Dierendokter, veearts of peirdemister in ’t Zils leek me een zalig beroep. Maar tussen droom en daad staan wetten en praktische bezwaren. Vooral die praktische bezwaren speelden me parten: wetenschappen waren niet echt mijn dada en dus kon ik een groot kruis maken over mijn droom. In peirdemister verdween voor mij het woord ‘peird’.
En toch… die droom is blijven sluimeren. In de jaren tachtig genoot ik met volle teugen van de erg populaire tv-reeks ‘Alle schepsels groot en klein’ die het wel en wee van een dierenartsenpraktijk uit het landelijke Yorkshire in beeld bracht. In die jaren leerde ik ook Jacques Brusselmans kennen. Meer dan tien jaar was kleurenwhist onze gemeenschappelijke passie en tussen al die miseries en abondances door, hoorde ik dan de verhalen van de Zeelse James Herriot. Die waren iets minder romantischer alhoewel ze af en toe wel grappig waren.
Voor een interview was Jacques moeilijk te strikken. Om de eenvoudige reden dat de man meestal de baan op was en tijd voor een rustige babbel was er niet. De plicht heeft nu eenmaal geen geduld. Tot hij in september laatstleden noodgedwongen een nieuwe heup moest laten steken en huisarrest kreeg. Voor mij le moment suprême!

Jacques woont met zijn vrouw Cathérine Van Driessche in het Goeiende, een doodlopende straat in the middle of nowhere juist voor ’t Kaluiterboske, den Hoekse Bos vormt het decor. Jacques resideert op een ziekenhuisbed in zijn living. Naast hem ligt mijn boek en een hele hoop papieren, hij heeft duidelijk zijn huiswerk gemaakt.

Kinderbed met tweeling  

Roots
Mijn thuis was op de Lokerenbaan, begint Jacques, even voor den travers. Mijn vader was Charles Brusselmans en mijn moeder Simonne Van de Vijver.

We waren thuis met drie broers: Marc (1940) en dan mijn tweelingbroer Jean-Pierre en ikzelf. Wij zijn geboren op 29 mei 1950 in Lokeren. We zijn nog met de ‘ijzers’ gekomen. Ja, zegt, Jacques, je gaat me misschien niet geloven maar ik woog 4 kilo en onze Jean-Pierre 4,1. Ons ma had het niet gemakkelijk voor onze geboorte en na het kinderbed heeft ze nog weken in bed gelegen.

Jacques en Jean Pierre in hun park   Het gezin in 1951   Jacques en Jea-Pierre

Bieëstekuëper
Mijn vader Charles Brusselmans was een veehandelaar, een bieëstekuëper zoals ze in Zele zeggen, net zoals mijn grootvader Emiel. De meeste mensen denken dan aan een kloeke vent met laarzen en een zwarte schort. Niets was minder waar. Mijn vader was eerder klein van gestalte, een meneer, droeg altijd een kostuum, een wit hemd en een plastron. Hij had de handjes van een klerk, voor het werk op den hof had hij twee knechten.

Zijn week had een vast stramien. Dinsdags ging hij naar de markt in Gent, ’s woensdags naar die in Anderlecht en van daar vertok hij naar Paliseul, een dorpje in de buurt van Bouillon. Daar overnachtte hij bij de burgemeester van het dorp. Iedere zondag na de mis kwamen de boeren uit de streek aan de burgemeester vertellen of ze één of meerdere beesten wilden verkopen. Mijn pa, zegt Jacques, bezocht dan donderdag en vrijdag die boeren om de prijs te bepalen. Op zaterdag brachten de boeren dan hun beesten naar de markt in Neufchâteau en daar werden ze op de trein richting Zele gezet.

  vader Cherles op de foto met een prijsbeest

Jacques en Jean Pierre als jongetjes van 9 op de Zeelse jaarmarkt. Naast hen staat Georges Muyle

Jacques en Jean-Pierre als jongetjes van 9
op de Zeelse jaarmarkt. Naast hen staat Georges Muyle.

 

’s Zaterdags kwam mijn vader in de namiddag naar huis en op zondag arriveerden de runderen in het station in Zele. Ik herinner me dat nog heel goed, gaat Jacques verder, dat waren gesloten wagons met bovenaan gleufjes om te verluchten. Iedere zondag werden die beesten dan van aan het station naar ons thuis gedreven. Dat was iedere keer een gevaarlijke onderneming, dat weet ik nog goed, zegt Jacques.

De meeste van deze dieren werden opgekocht door Victor Van Der Slijcken en Georges Muyle. Op maandag werden de meeste dan geslacht in het slachthuis aan de Lokerenbaan. Wij moesten altijd den barreeldraaier gaan verwittigen en voor we naar school gingen de beesten helpen opjagen naar het slachthuis (dat was waar nu de bib gevestigd is).

Dat was iedere week verdomd spannend om zo’n twintigtal beesten naar het slachthuis te drijven. Het moeilijkste punt was den traver zelf, als zo ’n beest op de sporen geraakte, was het miserie om die terug te jagen. De beesten in die jaren waren wel niet zo zwaar als nu. Toen wogen ze door den band 400 à 500 kilo, nu schommelt dat rond de 8 à 900 kilo. Ja, zegt Jacques, al bij al heeft mijn pa een schoon leven gehad.

Ons ma was moeder aan de haard, gaat Jacques verder, nooit heeft ze in de stallen moeten helpen. Mijn pa zag zijn vrouw graag en nooit hebben ze woorden gehad. Mijn ma zorgde voor haar gezin en onze twee knechten, ze kookte, waste en plaste en al onze kleren maakte ze zelf. Wij waren daar eerlijk gezegd een beetje beschaamd over, bekent Jacques, want in die tijd hadden de kinderen van ’t dorp al kleren uit de winkel. Maar ons ma was nu eenmaal een spaarzame vrouw.

School
Na de kleuterschool op ’t dorp gingen Jean-Pierre en ik naar de gemeenteschool, vervolgt Jacques. Vier jaar hebben we daar gezeten. Bernard Matthijs, Adolf Willockx, Albert Devaré en Edmond De Paepe waren onze onderwijzers. Onze Jean-Pierre was nen brave, mij moesten ze wat meer in ’t oog houden, bekent Jacques. Ik zat altijd op de eerste bank, dicht bij de meester. Meester De Paepe werd regelmatig eens geroepen door een collega uit een hogere klas als hij zijn pupillen niet de baas kon. De Paepe stroopte dan zijn mouwen op en wij zaten te bibberen in onze bank. Het voordeel van Devaré en De Paepe was dat ze allebei bij de brandweer waren en regelmatig werden opgeroepen. Dat waren onze gelukkigste momenten, herinnert Jacques zich, als het in de namiddag was, mochten we naar huis.

Pensionaat
Na het vierde studiejaar besloten mijn ouders om ons naar het pensionaat te sturen. ’t Was tijd om wat schone manieren te leren, zeiden ze. Jean-Pierre en ik waren in de zevende hemel dat we naar het pensionaat mochten. Samen met Robert Geens, Gino De Raedt, Joris Vermeiren en Albert Troch werden we ingeschreven in Saint-Amand in Gent.

  de twee broers
Dat waren de ongelukkigste jaren van mijn leven, zegt Jacques en terwijl hij het zegt krijgt hij de tranen in de ogen. Wij konden het er niet gewoon worden tussen die Franskiljonse Gentenaars. Op de speelplaats stonden mijn broer en ik tegen de muur te wenen en ’s avonds was het hetzelfde liedje op onze kamer. De meeste internen mochten iedere zaterdag naar huis, wij maar om de veertien dagen. Van de 300 internen bleven er slechts 30 en dat waren dan meestal West-Vlamingen uit de Westhoek of uit Oostende. We schreven brieven naar huis met de belofte dat we braaf zouden zijn maar ons pa was onverbiddelijk.
 

Om de twee weken, punt uit. Twee jaar heeft die hel geduurd, gaat Jacques verder. In het middelbaar konden we niet meer blijven in het weekend en stilletjes aan begonnen we ons toch aan te passen. Het feit dat er na de uren een groot sportaanbod was, verguldde de pil wel een beetje. Vanuit onze kamer zagen we het belfort en de kathedraal en zelfs nu, vijftig jaar later, krijg ik nog dat wrange gevoel als ik in Gent op de Sint-Michielsbrug sta en die torens zie.

Echt, zegt Jacques, dat waren de ongelukkigste jaren van mijn leven.

Jacques en Jean Pierre   Het gezin Brusselmans in 1962   Jacques bij zijn plechtige communie in 1962

Toen we zestien waren, zei mijn pa: Er is meer werk op den hof. Jean-Pierre, gij blijft thuis en Jacques, gij kunt voor peirdemister leren. En zo geschiedde. Onze Jean-Pierre had iets meer interesse in de beesten en ik leerde iets makkelijker. Die laatste drie jaren van het middelbaar, die konden echt wel tellen. Er waren weinig zaterdagen dat ik geen strafstudie had. Ik was een heuse rebel, bekent Jacques, en een paar keer heeft het niet veel gescheeld of ik was buitengevlogen.

Op een winterse woensdagmiddag had het gesneeuwd en de geplande voetbalmatch werd vervangen door een toneelvoorstelling. Onder leiding van enkele broeders trokken we naar de schouwburg en alles liep goed tot we een groep meisjes van Sint-Bavo tegenkwamen. Zo dapper als tellen gooiden we sneeuwballen naar die meisjes en die nonnen. Een broeder schoot in een Franse koleire en verbood om nog sneeuwballen te gooien.

 

Luisteren was mijn sterkste kant niet en ondanks het verbod gooide ik toch nog sneeuwballen. Ik had brute pech want de broeder had het gezien. Dat was mijn beste dag niet. ’s Avonds moest ik bij de directeur en de prefect komen en drie dagen buiten, luidde het verdict. Ik dacht bij mezelf, zegt Jacques, hoe moet ik dat thuis gaan vertellen. Mijn vader was meer dan streng, ik zag dat echt niet zitten. Na veel jammeren hebben ze die drie dagen omgezet in twee weekends blijven.

Ik zal het nooit vergeten, ik had de eerste keer een lief en dat weekend was het juist toneel van de KLJ. Een serieuze streep door mijn rekening en twee weekends lang moest ik van ’s morgens tot ’s avonds straf schrijven. Uiteindelijk heb ik in 1969 mijn diploma middelbaar behaald en op de proclamatie zei de directeur tegen ons ma: ’t Is een zegen van God dat we van die rebel verlost zijn! Ons ma was van ’t Lam Gods geslegen, lacht Jacques.

Charles Brusselmans met zijn tweeling  

Vader
Onze pa was een strenge, gaat Jacques verder. Iedere zaterdag toen hij thuis kwam, vroeg hij aan ons ma: En, hebben ze zich wat gedragen deze week? Onze Jean-Pierre was een brave, ik stak wat meer deugnieterij uit. De rekening werd dan ook vereffend. Mijn pa had geen compassie met ons. Al vroeg moesten we thuis meehelpen: stallen uitkuisen, hooien… Ik herinner me, zegt Jacques, dat we aan het hooien waren in Grembergen met de twee knechten. Mijn pa kwam eens kijken, rook aan het hooi en zei: ik zou het toch nog maar eens keren. Lap, we konden opnieuw beginnen en hij was weg met zijn Mercedes.

Ook had hij iets tegen machines. Heel lang hebben we alles gedaan met paard en kar. We hadden twee paarden en Frans Snoeck was onzen paardenknecht. Paardenknecht mogen zijn, was een eer. Onze Flip, herinnert Jacques zich, was een ijzersterk paard. Regelmatig kwamen er wagons pulp toe in het station en die moesten dan gelost worden. Aan het perron liep dat lichtjes bergaf en als de kar volgeladen was, moest dat paard alles geven om die kar in beweging te krijgen op die kasseien. Het vuur sprong werkelijk uit de hoefijzers.

We moesten thuis hard werken maar toch was er nog tijd voor ontspanning. Vele jaren zijn we bij de scouts geweest en ook van de KLJ waren we lid. Ondanks het feit dat hij streng was, gaf ons pa ons toch veel vrijheid. Als we uitgingen, zei hij: Mannekes, op tijd thuis. Als we er ’s morgens waren als de beesten moesten gevoederd worden of de stallen uitgekuist, was hij content. Ook als onze Jean-Pierre begon mee te gaan naar de markten, zei hij: Koopt op uw gemak! Hij zou zich nooit kwaad gemaakt hebben als Jean-Pierre te veel betaald had voor een beest, wat andere beestenkopers wel deden met hun zoon. Als de beesten thuiskwamen, zei hij in alle rust en kalmte waar Jean-Pierre op moest letten zodat hij niet tweemaal dezelfde fout maakte.

Unief    
In 1969 schreef ik me in op de universiteit van Gent. Na mei 68 was het een woelige periode in de studentenmilieus en op tv lieten ze regelmatig beelden zien van studentenmanifestaties en -stakingen. Ik zie je daar volgend jaar al tussen lopen, zei mijn pa, ik durf wedden dat ge op de eerste rij zult staan.
Ik was graag op kot geweest, maar mijn verleden in Saint-Amand indachtig, oordeelden mijn ouders dat het beter zou zijn dat ik alle dagen naar huis kwam. Dat was een lelijke streep door mijn rekening. In oktober trok ik dus op met mijn boekentaske en als ik thuis kwam begon ik onmiddellijk op den hof te werken. Moet jij niet studeren?, vroeg mijn pa dan. Na een maand vond hij het beter dat ik toch maar op kot zou gaan want anders zou er van dat leren toch niet veel in huis gekomen zijn.
 

Ons ma had een verre nicht in Gent en die zocht voor mij een kot. Ik kwam terecht bij een madam die weduwe was. Haar man was chef de bureau geweest op ’t stadhuis van Gent en nu woonde ze alleen in een groot herenhuis.

Ik ben er met mijn gat in de boter gevallen, lacht Jacques. Iedere morgen waren er boterkoeken of pistolets en ’s middags en ’s avonds was het navenant. Als ik in ’t stad studenten zag lopen met een fles melk en een brood onder de arm, dacht ik: sukkelaars. Ik voelde me de koning te rijk, was content en deed niets anders dan blokken. We waren dat jaar met 180 gestart en in de eerste zittijd waren er 33 geslaagd, ik was één van hen.

Vier Zusterstede   wapenschild van studentenclub Moeder Klodde   Jacques als preses   Studentenclub Moeder Klodde tijdens de eerste autoloze zondag in 1973
Ieder jaar nam Moeder Klodde deel aan
de Vierzustersteden, een studentenkoers
in Dendermonde. Hier een beeld uit 1975. Klodde kreeg toen
de prijs van de grootste lawaaimakers.

Het wapenschild van
de Zeelse studentenclub Moeder Klodde.

 

Jacques
als preses van de Vlaams Diergeneeskundige Kring

In 1973 was er de eerste autoloze zondag
en de Zeelse studenten
pakten uit met 'rallyteam Klodde'.

 

Dat eerste jaar had ik een lief in Zele en regelmatig schreef ik haar een brief. Toen ik in de meimaand op een avond een brief ging posten, passeerde ik toevallig voorbij enkele cafés en dat was daar vollen bak ambiance. De volgende dag vroeg ik aan mijn kameraden of er gisteren iets speciaals te doen was. Nee, antwoordden ze, dat is hier alle dagen zo. Toen viel mijn frank, zegt Jacques, ik zat op mijn kamer alle dagen te blokken en in Gent was het alle dagen kermis.

Ik blijf niet op dat kot, dacht ik bij mezelf, maar hoe moest ik dat thuis gaan verkopen. Via een kameraad vond ik een kot waar 30 studenten samen zaten, allemaal landbouwingenieurs en veeartsen. Mijn kotmadam maakte ik wijs dat we nu aan de andere kant van ’t stad zaten en het dus beter was om te verhuizen.

 

Ze had heel veel spijt en ze heeft na mij geen andere student genomen. Thuis had ik niet verteld dat ik op een ander kot zat, mijn moeder gaf me iedere maand het geld voor mijn kot en dat was dus in orde. Mijn tweede jaar aan de unief was er één om op te schrijven, gaat Jacques verder, alle dagen potten drinken, uitgaan tot een kot in de nacht en brossen à volonté. De helft van de tijd ging ik niet naar de lessen en er waren cursussen waar ik nooit geweest was.

Maar, voegt hij er aan toe, mijn kotgenoten kenden het klappen van de zweep en die wisten wanneer het tijd was om te beginnen blokken. Ik bleef maar uitgaan en dikwijls hoorde ik ’s morgens de merels fluiten als ik naar mijn kot ging, dan wist ik dat er die dag van studeren niet veel in huis zou komen. Het gevolg liet zich raden: ik was flagrant gebuisd!

Jacques met zijn kotgenoten   Jacques op de bierfeesten in Wieze   beeld van een studentendoop

Jacques met zijn kotgenoten.

 

 

Jacques in volle zwier op de bierfeesten in Wieze.

 

 

Over de studentendopen bestaan heel wat legendes. Die bij de veeartsen waren 40 jaar geleden nog echt 'beestig'! Ingesmeerd met siroop, kippenvoer erop en dan een paar hongerige kippen... Het zal je doop maar wezen!

Toen ik thuis kwam met dat slechte nieuws, belde mijn pa naar mijn kotmadam om te vragen hoe het kwam dat ik gebuisd was. Toen hij hoorde dat ik zonder iets te zeggen verhuisd was, was het kot te klein, kan je wel denken, lacht Jacques.

’t Was gedaan met uitgaan en ik moest beginnen blokken, maar ik was een vogel voor de kat want ik wist op voorhand dat ik het niet kon halen. Ik had voor sommige vakken een nul en zoiets ophalen, was een onmogelijke zaak. Ik was dus terug gebuisd, maar thuis moesten ze toch toegeven. Ik mocht verder doen.

De opleiding veearts bestond in die tijd uit drie jaren kandidatuur en drie jaren doctoraat. Over mijn tweede jaar kandidatuur heb ik drie jaar gedaan want ik heb niet alleen gebist maar ook nog eens getrist en ook mijn derde jaar heb ik gedubbeld. In mijn eerste doctoraat heb ik mijn vrouw leren kennen en begon ik stillekes aan mijn verstand te krijgen, lacht Jacques, die drie jaren doctoraat heb ik dan zonder te bissen kunnen afwerken.

 

Mijn studententijd was de schoonste tijd van mijn leven waar ik nog dikwijls aan terugdenk, vervolgt Jacques. Ik zat in drie studentenclubs en bijna ieder jaar zetelde ik in het presidium (bestuur van een studentenclub). Ik ben vaak preses geweest en regelmatig organiseerden we fuiven of een bal. Dat was echt kassa, kassa in die tijd.

Om je een voorbeeld te geven, zegt Jacques, met Zeelse studentenclub Klodde organiseerden we ieder jaar een bal in ’t Zelehof. We hadden meer dan 1000 entrees aan 70 frank (1,75 euro) plus een percent op de drank. De enige kost die we hadden was de discobar. Toen ik preses was van Klodde, hadden we zo maar eventjes 125 000 frank (3125 euro) in kas en dat was geld in die tijd. Als we ’s zaterdags naar een fuif gingen werd onze inkom betaald en kreeg ieder lid nog een aantal bierbonnekes er bovenop. In Gent was dat net hetzelfde. Als je een goed lid was, kon je een heel jaar uitgaan op kosten van de studentenclub. Iedere week organiseerden we twee activiteiten. Op dinsdag was dat eten en drinken en op donderdag was het steevast cantus. En ieder academiejaar moest de kas leeg zijn!

Jacques als keeper   Jacques aan het blokken   Jacques met zijn verloofde Catherine
Voetbal was één van zijn passies. Bij Klodde
stond hij altijd in de goal. Hier een beeld uit 1973 van een save om u tegen te zeggen!

De enige foto die ik in zijn archief vond
waarop Jacques aan het blokken was.

Dankzij zijn verloofde Cathérine
kwamen de jaren van verstand dan toch!

Pas in de drie jaren doctoraat was er naast theorie ook praktijk. In het begin mocht je meelopen met de laatstejaars en pas in het derde jaar mocht je echt je handen uit de mouwen steken. De veeartsenijschool had een eigen praktijk in de streek van Drongen, Nevele en Vlinderhoutem. In die gemeenten kwamen geen andere veeartsen en voor de boeren had dit het voordeel dat ze minder moesten betalen want de staat betaalde een deel van het honorarium. We trokken altijd de baan op met een assistent van de prof en drie studenten. Ik was altijd bij de rappen als de assistent vroeg wie een keizersnede of zo wou doen en zo heb ik veel geleerd.

 

In mijn tijd kwamen de meeste studenten uit het boerenmilieu en waren er bitter weinig meisjes. We zijn met 80 afgestudeerd en daar waren slechts 5 meisjes bij.

Nu is dat totaal anders. Veel studenten hebben helemaal geen voeling met de boerenstiel en 70 à 80 % zijn meisjes. De opleiding is ook veranderd. Wij moesten alles kunnen: kleine huisdieren, paarden en rundvee. Nu moet je kiezen wat jouw specialiteit wordt.

In 1978 had ik dan eindelijk mijn diploma op zak.

Huwelijksfoto van Jacques en Catherine  

Startblokken
In 1979 is Jacques getrouwd met zijn vrouw Cathérine Van Driessche en gingen ze in de Kloosterstraat wonen. Daar is hij ook begonnen met zijn praktijk als veearts. Ik moet zeggen, zegt Jacques, dat ik vrij snel uit de startblokken kwam. Mijn vader en mijn broers zaten in het boerenmilieu en maakten reclame voor mij. Dat was goed op zich, maar dat nam niet weg dat ik mezelf moest bewijzen, voegt hij er aan toe.

Bij een boer kreeg je maar één kans en dan moest je je beste beentje voorzetten of je had afgedaan. Een ander pluspunt was dat ik de enige dierenarts in het centrum was en vrij snel had ik heel wat werk met kleine huisdieren. Maar eerlijk gezegd, dat was niet echt mijnen dada. Ik deed dat niet echt graag, maar als beginneling ben je blij dat je werk had.

Eén van de eerste weken komt er een man met een jonge boxer langs met de vraag of ik de oortjes van het beestje wou couperen. Eigenlijk mocht dat niet maar toen werd dat nog oogluikend toegestaan. Er was maar één probleem: ik had dat nog nooit gedaan en wist begot niet hoe je dat moest doen.

Wij hadden dat nooit geleerd. Ik trok bij mijn confrater Emiel Derde te rade. Die maakte er niets van. Je zet een tang op dat oor en met een mes snij je dat eraf.

Allez swat, de volgende zaterdag kwam die man met zijn hond en ik deed wat Derde me had gezegd. Ik verdoofde de hond, coupeerde het eerste oor, naaide dat netjes dicht en deed net hetzelfde bij het tweede oor. Ik doe de hond een kraag om en als ik de hond omdraai, krijg ik bijna een hartinfarct. Ik had het ene oor aan de buitenkant afgesneden en het andere aan de binnenkant. Ik dacht: miljaardegrijs wat nu? Ik heb die oortjes mooi afgeplakt en de man was buiten. Ik was pas enkele weken bezig met mijn praktijk en dan zo’n blunder, om door de grond te zakken van schaamte.

Enkele dagen later belt de man en ik deed teken naar mijn vrouw: ik ben niet thuis. Maar dat teken kende ze toen nog niet en ze zei: ik zal mijn man eens geven. Ik zit me er scheel op te kijken, zei de man, en ik heb de hond al voor de spiegel gezet, er is iets mis met die oren en ik weet niet wat. Kom er nog eens mee terug, antwoordde ik, we zullen dat eens bekijken.

 

Een dag later heb ik dan die oortjes nog eens gesneden maar dan net omgekeerd. Zes weken later kwam de man terug om zijn hond te laten vaccineren. De oortjes stonden mooi recht maar ze waren wel wat klein!

Een andere leuke anekdote is die van die teckel. Ik werd opgeroepen om een hondje te euthanaseren in de buurt van de Zandberg. Ik was op de baan en toen ik bij die mensen kwam, zag ik dat ik dat spuitje niet bij had. Geen probleem, zei ik tegen die mensen, ik zal hem meenemen en thuis een spuitje geven. Ik moest nog bij een boer in Waasmunster zijn voor een dringend geval. Ik rij dus met dat hondje naar die boer en toen ik klaar was, zag die boer het hondje in mijn auto. Da’s een schoon beestje, zei hij, waarop ik hem vroeg of hij het wou hebben. Zijn kinderen keken hem aan met ogen van ‘astemblieft papa’. Ik was blij dat ik het jonge hondje niet moest doodspuiten en had een paar kinderen blij gemaakt.

Enkele dagen later kwam ik de vrouw van het hondje tegen en ze vroeg me of het beestje niet te veel had afgezien. Nee, antwoordde ik resoluut. Drie weken later kreeg ik telefoon van die vrouw: mister, ons hondje staat hier voor de deur.

Jacques als jonge veearts   Jacques met een hengst   Jacques als jonge veearts
Boer    

Toen we pas getrouwd waren, hadden we een huis gehuurd in de Kloosterstraat, zegt Jacques, dat was een mooi huis maar voor de praktijk was dat niet erg geschikt. Toen het huis op de hoek van de Moerstraat en de Stationsstraat (nu begrafenissen Van Damme) te koop kwam, leek ons dat een ideaal huis. Er was ruimte om te wonen maar ook voor een wachtzaal en een praktijk. Met mijn vader trok ik naar de openbare verkoop in ’t Arduinen Hol (café Royal) en voor een vrij schappelijke prijs werd het ons huis. Maar toch blijf ik hier niet wonen, zei ik tegen mijn schoonmoeder. Ze kreeg bijna een hartinfarct.

Nee, zei Jacques, ik ben indertijd veearts geworden om boer te kunnen worden. Mijn grote droom was zelf een boerderij te hebben. Op een avond, ergens half van de jaren tachtig, moest ik bij Michels in ’t Goeiende een keizersnede doen. Toen ik klaar was, zei de boer: mister, dit is uw laatste verlossing bij ons. Zijde niet meer content, vroeg ik. Nee, we gaan stoppen met de boerderij. Dat klonk als muziek in mijn oren.
Het boerderijtje bleek eigendom te zijn van de familie Limpens en diezelfde avond nog trok ik naar het kasteel. Na wat onderhandelen had ik een akkoord op zak voor de boerderij en enkele weilanden.

 

Om een lang verhaal kort te maken. Michels heeft er nog een tijdje gewoond, in 1987 zijn we begonnen met de afbraak, bouwden daarna ons huis en eind 1989 zijn we verhuisd naar het Goeiende.

En even later hebben we onze eerste stal gebouwd en startte mijn vrouw als boerin. Toen onze Karel in 1993 vroeg of hij naar de landbouwschool mocht, sprong ik een gat in de lucht, zegt Jacques met enige fierheid, en zo kreeg mijn droom een doel: een bedrijf uitbouwen voor onze zoon. In 1992 hebben we onze eerste stal gezet voor 90 beesten, vijf jaar later volgde een tweede stal voor 250 beesten, in 2008 volgde er nog een en in 2013 een stal voor het jong vee. We hebben nu een gesloten bedrijf van om en bij de 600 dikbilrunderen en alle dieren blijven op het bedrijf tot ze slachtrijp zijn. Mijn vrouw ontfermt zich over de kalveren en onze Karel doet de rest. We zijn vrij goed uitgerust met moderne machines en dat maakt het werk ook een pak makkelijker. Het meeste voedsel (maïs, tarwe, spelt en gerst) verbouwen we zelf. Enkel soja en lijnschilvers moeten we nog aankopen. En natuurlijk ook het stro. Iedere zomer halen we dat zelf in Sterrebeek (tegen Brussel). Nee, ik ben heel tevreden hoe ik erin geslaagd ben om mijn droom waar te maken, zegt Jacques.

Jacques bij zijn koeien   Jacques met Dorine en Karel in de wei bij de koeien   Jacques aan het voederen in de stal

Praktijk
De liefde voor runderen heeft Jacques meegekregen met de moedermelk. Het was dan ook niet verwonderlijk dat het grootste deel van zijn praktijk te maken heeft met runderen. Kleine huisdieren en ook paarden laat hij liever links liggen.
In de jaren tachtig heeft het Belgische Witblauw een stevige opmars gekend in Vlaanderen en ook in onze streek. Witblauw is een ras van dikbilrunderen, dat uitermate geschikt is voor de vleesproductie.

Jacques bij een keizersnede  

Op deze boerderijen is er heel wat werk voor een veearts omdat alle kalveren geboren worden met keizersnede. Ook zijn deze dieren heel wat meer waard dan bijvoorbeeld melkvee. Een dikbilkalf kost 8 à 900 euro, terwijl de prijs van een ander kalf schommelt rond de 100 euro. In heel de streek heb ik heel wat kwekers en vetmesters onder mijn cliënteel, gaat Jacques verder. Naast het gewone werk (bloed trekken, ziektes, vaccinaties…) zijn er natuurlijk de keizersneden. In de periode december-mei doe ik er heel wat en dat is voor mij een heel zware periode. Je zal dat misschien niet geloven, maar er zijn dan weinig nachten dat ik niet word opgeroepen.

Als veearts ben ik niet geassocieerd. Ik werk al 35 jaar alleen, zegt Jacques, zeven dagen op zeven, dag en nacht bereikbaar. In de meimaand aan het einde van die keizersnedenperiode krijg ik meestal een klop van de hamer. Dan boekt mijn vrouw meestal een hotelletje in de Ardennen waar we dan een dag of vijf gaan uitrusten en daarna kan ik er weer tegen. Hoe dan ook veearts zijn, is geen schapenwachten, het is een job van 365 dagen lang paraat te zijn want ook voor een boer zijn er geen werkuren of vrije weekends.

Hormonen
Een zwarte periode in heel zijn loopbaan als veearts was ongetwijfeld deze van de hormonen. Jacques zucht als ik het onderwerp aansnijdt. Of je me gelooft of niet, zegt hij, ik wil heel mijn leven herdoen maar die jaren van de hormonenkwestie mogen er niet meer bij zijn. Dat was een erg woelige periode waarin mensen werden meegesleept in een verhaal dat hun verhaal niet was. De hormonenmaffia domineerde de markt en je kwam niet aan de bak -lees je raakte je vlees niet kwijt- als je niet meedeed. Dat was voor mij als veearts de verschrikkelijkste tijd die ik nooit meer beleven wil. Niet alleen voor mij maar ook voor mijn cliënten. De stress, de druk, het risico om betrapt te worden… dat alles was gewoon onmenselijk.

Er waren controles door een soort vliegende brigade van veeartsen die in de slachthuizen de geslachte runderen onderzochten en die deden mensen schudden en beven uit angst dat hun dieren positief zouden bevonden worden. Heel die hormonenaffaire ging crescendo tot de moord op veearts Karel Van Noppen. Dan is er een kentering gekomen. De controles en de daarbij horende boetes werden ten top gedreven en heel de hormonenkwestie verhuisde in een mum van tijd naar de geschiedenisboeken. De boetes waren verschrikkelijk hoog en heel die affaire heeft voor drama’s gezorgd en mensen in de miserie gestort. Met tranen in de ogen vertelt Jacques over een cliënt die zo’n zware boete kreeg dat hij het niet meer zag zitten en… Nee, zegt Jacques, ik ben echt blij dat die zwarte periode achter de rug is en dat die bladzijde omgedraaid is.

Het rare aan heel die affaire is dat de beesten vandaag meer wegen dan ten tijde van de hormonenkwestie. Dat komt door een grondige selectie en een veredeling van het ras. Vandaag is het vlees echt naturel en heeft het een veel betere smaak dan toen. Het is alleen jammer dat we moeten vaststellen, besluit Jacques dit hoofdstuk, dat het verbruik van vlees sterk daalt ook al is de kwaliteit stukken beter.

  Affiche van de film Rundskop
Meer dan veearts    

Hoe je het ook draait of keert, gaat Jacques verder, een boerderij runnen is net hetzelfde als een bedrijf. Als ik bij een boer kom, is dat in de eerste plaats voor de beesten, maar bij alles wat ik doe denk ik ook economisch. Als een koe ziek is, weeg ik altijd af of het de moeite loont om haar te behandelen. Heeft de boer te veel kosten, moet het beest te veel antibiotica krijgen… dan is het vaak voordeliger om het dier af te voeren naar het slachthuis.

 

Jonge veeartsen hebben vaak geen band met het boerenleven of denken niet verder dan hun neus lang is. Ik weet dat sommige boeren het niet makkelijk hebben in deze dagen en daarom probeer ik hen altijd de beste raad te geven.

Ook boerderijen moeten rendabel zijn, willen ze blijven bestaan.

Cartoon twee mannen maken ruzie met een doodskist op de voorgrond  

Ik heb doorheen de jaren met veel van mijn klanten een vertrouwensband opgebouwd, zegt Jacques. Heel dikwijls ben ik het eerste aanspreekpunt als ze met een probleem zitten. Wa peisde gij daarvan, mister? is een veel gehoorde vraag. De moeilijkste problemen in boerenmiddens zijn en blijven de erfeniskwesties. Soms gebeurt het dat de zoon me erover aanspreekt en dat ik de volgende dag zijn vader over de vloer krijg. En dat zijn geen makkelijke materies.

Ik heb in die 35 jaar dat ik rondrij al heel wat tragedies over geld en grond meegemaakt. Boeren kunnen nu eenmaal zo moeilijk afstand nemen van hun eigendom. Hoe vaak heb ik al mensen de raad gegeven om hun boel te verdelen terwijl ze nog leven. In 2012 is een wet gestemd dat je bedrijven kan overlaten zonder successierechten te moeten betalen, maar sommigen zijn zo gehecht aan hun akkers en na hun dood moeten kinderen zich blauw betalen aan successierechten. Ik zou me omdraaien in mijn graf moest ik weten dat mijn zoon land zou moeten verkopen waar ik dag en nacht heb voor gewerkt.

Met een beetje goede wil en gezond verstand kan je al die ambras rond erfeniskwesties vermijden. Jammer genoeg is die goede wil en dat gezond verstand vaak zoek…

Cathérine & C°
In heel mijn verhaal mag ik zeker mijn vrouw Cathérine niet vergeten. Ik zou mijn droom nooit kunnen waarmaken hebben zonder haar. Ze is dan wel ‘madam van de peirdemister’ maar dat is meer dan ‘madam’ zijn. Zij neemt heel de paperassenwinkel voor haar rekening en daarnaast had ze jarenlang, bij manier van spreken, huisarrest want er moest iemand zijn om de telefoon op te nemen.

Vaak gebeurde het dat ik ’s nachts opgeroepen werd voor een keizersnede, vertelt Jacques, en dat er even later een andere boer belde. Dan moest ze opblijven om te wachten tot ik terugbelde. Later heb ik dan een tijdje een CB-zender gehad maar dan had je enkel ontvangst als je op de viaducten boven de E17 stond. De komst van de gsm in 1994 was zowel voor mij maar zeker voor mijn vrouw een bevrijding.
Toen ik met haar trouwde had ze, om het zo te zeggen, nog nooit een koe van dichtbij gezien.

  Het gezin van Jacques en Catherine
Jacques en Catherine met hun zoon Karel en schoondochter Lies  

De manier waarop ze is meegestapt in ons boerderijverhaal is fantastisch. De verantwoordelijkheid voor de kalveren neemt ze meer dan serieus en ze weet verdomd goed waar ze het over heeft als we over iets discussiëren. Dat we het zover gebracht hebben, is vooral dankzij haar! Nee, zegt Jacques, ik steek het niet onder stoelen of banken, maar mijn vrouw is er één uit de duizend, een lotje uit de loterij!

Jacques en Cathérine hebben twee kinderen. Karel woont met zijn vrouw Lies voor de boerderij. Ik ben fier op hen, zegt Jacques. Ze doen dat goed.

Zijn dochter Dorine woont met haar man Joren in de Kloddenzakstraat. Zij hebben allebei een master lichamelijke opvoeding. Dorine geeft les in Sint-Niklaas en daarnaast zijn ze beiden actief als personal trainer. Zij hebben één zoon, Louis, Jacques’ petekind en zijne god.

Terugblik
Gaat een peirdemister met pensioen? vraag ik tenslotte. De meesten niet, antwoordt Jacques.
Een veearts stopt met zijn cliënteel. Acht jaar geleden had ik nog een heel drukke praktijk, nu nog, maar het is al wat minder.
Veel van mijn boeren zijn einde van de vijftig, begin van de zestig en vaak hebben ze niemand die het bedrijf wil overnemen.
Er is te veel kapitaal mee gemoeid als je vandaag een serieuze boerderij hebt.
Jongeren zien zo’n schuldenberg echt niet zitten en ik begrijp dat.

Ik heb, al zeg ik het zelf, gaat Jacques verder, een zwaar leven gehad.
Niet alleen fysiek vaak ook geestelijk. Als jonge veearts dacht ik dat ik alles kon genezen, nu weet ik beter.
Als een boer te laat belt voor twee koeien met griep en je ziet dat die andere acht het ook hebben…
Dan heb ik het daar heel moeilijk mee. Als die boer nu iets vroeger gebeld had…
Ik heb in al die jaren mijn uiterste best gedaan voor mijn cliënten.
Ik was (bijna) altijd beschikbaar, zeven op zeven, 365 dagen op een jaar.
En ik heb daar geen seconde spijt van, ik heb het graag gedaan.
Nu ik thuiszat met mijn nieuwe heup zijn er, ik weet niet hoeveel, me komen bezoeken.
En of je me gelooft of niet, dat deed echt deugd!

Cathérine komt binnen met de boodschap dat er een koe moet kalven.
Sinds enkele dagen lukt het voor Jacques terug om keizersnede te doen.
Met hem stap ik mee naar de stal. Alle schepsels groot en klein anno 2014.

Bedankt, Jacques, voor onze babbel en jouw verhaal!

Mark De Block
19-I-2015

Keizersnede in beeld

     
             
     
             
 
             
 
             
     

Een keizersnede is een manier om een ongeboren, levende vrucht uit de baarmoeder te bevrijden wanneer dit op de natuurlijke manier niet lukt. Deze keizersnede is niet enkel voorbehouden aan mensen, maar wordt ook bij koeien uitgevoerd bij moeders van zware kalveren (vnl. van het dikbilras Belgisch Witblauw). Vanaf de linkerkant is de baarmoeder van de koe het makkelijkst te bereiken.
De operatie wordt bij voorkeur bij een staande koe uitgevoerd (want als de koe gaat liggen, kunnen de darmen door de operatiewond naar buiten komen, wat infectierisico en moeilijke terugplaatsing tot gevolg heeft). Na het scheren, reinigen, schrobben en ontsmetten (essentiële hygiëne is ook bij dieren belangrijk), wordt op verschillende plaatsen hoog tegen de rug van het rund een lokaal anestheticum geïnjecteerd. Na enkele minuten wordt vervolgens de huid, het onderhuids bind- en vetweefsel, buikspieren en buikvlies doorgesneden met een scalpel.

 

Na opzijduwen van de pens kan de baarmoeder door een assistent van de dierenarts (of de boer) vastgenomen worden met een baarmoedertang, en vervolgens door de dierenarts ingesneden. Ook de vruchtvliezen moeten ingesneden worden.
Er wordt zo veel mogelijk vermeden dat vruchtwater in de buikholte terechtkomt. Het kalf wordt uit de baarmoeder gehaald, eventuele vruchtvliezen rond de neus en mond worden verwijderd en het kalf wordt geprikkeld met gras en zachte nepen in de neusgaten totdat het begint adem te halen.
Na controle van de andere baarmoederkant op een eventueel tweede kalf, wordt alles weer dichtgenaaid met traag resorberend chirurgisch draad. De vruchtvliezen worden in de baarmoeder gelaten, omdat die pas na een tijdje vlot loslaten en gewoon afkomen via de vagina.
(Bron: Wikipedia)


© Mark De Block
Thuiskomen